de terrasmuren (mur des
bancels),
de huisjes om kastanjes te drogen (les
clèdes),
de stallen (les jasses) verspreid in het
landschap
maar ook de boerderijen (mas-geheten)
de vernuftig in elkaar geknutselde gehuchten
de bescheiden kasteeltjes
de dorpen, de tempels (protestantse kerk) en
de kerken;
Kortom het geheel van alle bouwwerken is
geïntegreerd in het vormgegeven landschap.
Landschapsarchitectuur in vogelvlucht :
De oorspronkelijke architectuur in de valleien
van de Cévennes bestaat uit natuurlijke materialen, zij is volledig
gerealiseerd in leisteen, en kastanjehout, de
steen- en houtsoort ter plaatse.
Eeuwenlange traditie van technische vragen en
oplossingen met slechts deze twee materialen, heeft een vernuftige, constructie-eerlijke,
veelzijdige en vooral ook mooie architectuur opgeleverd.
De Cévennes zijn het treffendst te
karakteriseren door ongerepte natuur met een ruig relief, diepe valleien, cultuur op
terrassen en een mild klimaat dankzij de invloed van de middellandse zee.
De meeste huizen zijn halverwege de berghelling
gebouwd; daar waar de naturlijke bronnen ontspringen.
De boerderijen, gehuchten en dorpen lijken zich vast te grijpen aan de stijle
hellingen.
Deel uitmakend van een "cévenolse"
boerderij of gehucht zijn de volgende komponenten onderscheiden:
De terrassen (fr bancels)
ondersteund door koud gestapelde muren van leisteen verbonden via vele varianten van
trappen tot diep in het dal vanwaar, uit de rivierbedding de aarde
is gehaald om op de terrassen te kunnen verbouwen.
Moestuin en boomgaard ( fr.
potager, verger) bij voorkeur dicht bij huis en waterbron, maar sinds de overbevolking in
de 19e eeuw ook op moelijk bereikbare plaatsen, waar water stroomt, of heen kan worden
geleid via in steen uitgehakte waterkanalen (fr. béal) en/of uitgeholde
boomstammen.
Een kastanje-boomgaard (fr.
châtaigneraie) met grote geënte bomen. De kastanje wordt de broodboom van de
Cevennen genoemd. Ook verder verwijderd van de boerderij vindt men tamme kastanjebomen. In
tegenstelling tot de rest van de erven zijn hier geen terrassen gebouwd, maar wel af en
toe kleine halfronde muurtjes onder de boom. Dit om de kastanjebladeren te verzamelen.
Deze bladeren dienden als stro.
Behalve voor de vruchten dient de boom ook als (land)bouwhout, balken, planken.
Men snoeit hiervoor het hart eruit zodat de scheuten (cabasses, bouscasses) snel en
recht omhoog groeien.
Daarboven het ongekultiveerde terrein
(fr. les landes), tot en met de bergkam waar niets verbouwd kan worden en geiten
en schapen (vooral vroeger) tussen de hei en andere vegetatie kunnen scharrelen. Door
afname van het aantal kuddes is er erg veel aangelegd en ongecultiveerd erf overwoekerd
geraakt.
De gedeeltelijk ommuurde en uit de steen
gehouwen paden die alle boerderijen met elkaar verbinden zijn overwegend
overwoekerd sinds de auto zijn intrede heeft gemaakt. Deze paden kennen variaties zoals
gewone muurtjes, rechtopstaande steenrijen om het vee uit de cultuuurgrond te houden, of
trapsgewijze grote platte stenen als erfafscheiding; soms geplaveid, soms uit de
rots gehakt.
De moerbeibomen (fr. mûriers)
om de zijderupsen te kunnen voeren.
De magnaneries - zijderupsenlokalen. Grote ruimtes met veel
schoorstenen en ramen om de temperatuur zoveel mogelijk constant te houden; noodzakelijk
voor de goede ontwikkeling van de rupsen.
De traditionele pergola (la treille)
speciaal voor het verbouwen van druiven bestemd voor huisconsumptie sinds de
"appelation controlée" de hier verbouwde druivensoorten heeft afgekeurd:
clinton, jacquet, baco en andere hybride rassen.
De weilanden voor het hooi, overwegend in de vallei.
De bijenkasten (fr. le
rucher) waarvan het oude model bijzonder de moeite waard is, ze bestaan uit een
stuk uitgeholde kastanjeboom afgedekt met een grote leisteen.
De begraafplaatsjes her en der verspreid,
als voortvloeisel van de protestantse historie van de Cévennes. De familiegraven
liggen vlakbij of tussen de huizen met vaak een cyprès als symbool van
de vlam van de eeuwigheid. L'histoire du protestantisme. ( Frans)
"Kastanje-droog-huisjes" (clèdes),
kleine snoezige huisjes speciaal gebouwd voor het drogen van kastanjes boven een enkele
weken smeulend vuur. Clèdes bevinden zich in vrijwel elk gehucht, maar soms ook ver
daarbuiten, daar waar de kastanjebomen staan.
De broodoven (fr. four à
pain), in de binnenplaats of geïntegreerd in de muur van het woonhuis met de
opening in de grote schoorsteen. Gehuchten met meer dan 20 inwoners hebben vaak een tweede
broodoven.
De dorsvloer (fr. laire à
battre), om de graangewassen te dorsen ,in deze regio vooral rogge diet het goed doet in
een licht zuur natuurlijk milieu.

Het woonhuis
Het rechthoekige woonhuis ligt tegen of zelfs
gedeeltelijk in de rots. 
De oudsten zijn altijd loodrecht op de helling gebouwd.
Uitbreidingen werden bij voorkeur in de hoogte
gemaakt, wat werk en onderhoud scheelt t.o.v. naastbouw.
Bovendien bespaarde men potentiele landbouwgrond
en vermeed men het moeten creëren van een goede "zitting", lees fundament, van
het huis, vormgegeven door uit de rots te hakken.
Juist dit fundament is een zwakke plek in de
gladde, breekbare, gelaagde leisteen.
De verdiepingen van het huis stapelen zich op
volgens de vorm van de terrassen, die ook de helling van de berg volgen. Elk niveau van
het huis heeft zodoende een begane grond voor de deur aan de bergkant.
Inspelend op demografische uitspattingen,
oorlogen, landbouw en techniek kent elke "mas" zo zijn persoonlijke
geschiedenis van toevoegingen en veranderingen.
Tijdens de periodes van sterke bevolkingsaanwas
(16e, 18e en 19e eeuw) voorzag men reeds het
volgende huis door in de hoek(en) van de buitenmuur grote stenen uit te laten steken
voor aanhechting van het nieuwe buurhuis.
De alsmaar evoluerende bouwtechnieke maakte
het vervolgens ook mogelijk om parallel aan de berg te bouwen en zodoende de
veelvoorkomende L-vorm te creëren . Het dakspant en de dakleien moeten voor zo'n haakse
uitbreiding wel aangepast worden om de afwatering goed te sturen. Goten zijn van heel veel
later.
Een andere oplossing voor dit probleem is het
creëren van hoogteverschil tussen de daken zodat elk lagerliggend dak als goot voor
het bovenliggende funktioneert.
Om het opnieuw leggen van leien te voorkomen wordt er meestal voor deze oplossing
gekozen zodat de éne afwatert op de andere.
Dit levert een breiwerk van daken van verschillende hoogtes, groottes en
richtingen. De bijgebouwtjes zijn voor opslag, het behuizen van geiten, schapen, varken,
ezels, konijnen, kippen, werktuigen en soms duiven.
Soms breidt het geheel zich uit rond een
binnenplaats met poort, of in grote L, F, H, of U-vorm. Ook twee parallele vleugels of
echt geen structuur komt voor, afhankelijk van tijdperk en plaats. Als de helling te stijl
is worden er noodzakelijkerwijs losse dependances gebouwd.
Dankzij het evolueren van de bouwtechnieken
kunnen de ruimtes langer en hoger worden met méér en grotere openingen(ook afhankelijk
van de belasting op aantal en maat van openingen tot het begin deze eeuw)
.Vooral de vereiste grootte voor de nieuw te
bouwen magnaneries (zijderupslokalen) veroorzaakt een enorme impuls aan de
bouwnijverheid; vrijwel elk gehucht bouwt één of meerdere gebouwen van 3 of 4 ruime
etages, of verbouwt bescheidener, tussen of binnen de bestaande ruimtes.
De gewenste constante temperatuur voor de zijderupsen vergt veel openingen en veel
schoorstenen in de magnanerie om deze te kunnen beheersen.
Ook ramen boven elkaar en raam boven deur, een bouwkundig waagstukje, is nu
mogelijk.
Het laagste niveau, gedeeltelijk uit de rots
gehouwen dient als kelder en geitenstal. Uit de gelaagde rots sijpelt vrijwel het gehele
jaar water wat open afgevoerd wordt naar buiten via een gehakt gootje.
De woonkamer/keuken ligt de etage hierboven met de typisch cévenolse schoorsteen
die de gehele gevelmuur in beslag neemt, doorgaans de gevel tégen, of zelfs in de
berg.
In de tegenoverliggende gevel zit het raam wat uitkijkt op de vallei.
Het derde niveau (als het er is, of zelfs
't vierde niveau) dient als magnanerie tijdens de 'gouden eeuw' en/of als
slaapkamer of hooizolder gedurende de rest van het jaar. De zijderupsencultuur begon elk
jaar rond mei, met het uitbroeden van de "graantjes" onder de kleren van een
vrouw en eindigde in julie met het uithalen van de coconnen.
De berghelling vormgegeven in terrassen maakt
het mogelijk op elk niveau een ingang begane grond te hebben.
Daar waar het contact tussen muur en rotswand verbroken is, door een diepe sleuf
om vochtproblemen te voorkomen, is er een loopbrugje (une montoire, une
passerelle) gemaakt.
De toegang tot de keuken is vaak via een trap die tussen de kelderopeningen omhoog
leidt.
De gedeeltelijk in de rots gelegen vertrekken
hebben een gewelf met aan de bovenkant leien (vanwege het vocht) aansluitend aan de houten
tussenvloer.
Fundering
Hier en daar zijn op de rots grip-richels (les
pèdes) gehouwen niet in de diepte maar in de hoogte waar vandaan de muur gebouwd werd.
Meestal echter is men gewoon op de kale rots begonnen, wat later een probleem op
is gaan leveren door afglijden (terrasmuren-ondergrond niet afgevlakt) of door zachte
verpulverende rots onder druk door vocht.
De later aangebouwde ruimtes (aanvankelijk simpel en later ingewikkelder en meer
divers) nemen bestaande muren of stukken muren als steun. Vaak wordt zo ook een buitenmuur
een binnenmuur.
Zo vindt men in elke boerderij en gehucht hele oude delen en nieuwere delen uit
zeer uiteenlopende jaartallen. De oudste huizen of delen van huizen zijn tussen het jaar
duizend en twaalfhonderd gebouwd door monniken die hier kleine priorijen gevestigd hebben;
een zelfvoorzienend geheel met moestuin, beesten, en kastanjeboomgaarden.
De muren
De verbinding en de fundering van de muren
variëert met de kwaliteit van de rots. Dit komt zeer nauw omdat de geringste
onstabiliteit kan leiden tot verschuivingen van het gladde, gelaagde en vaak
brokkelig materiaal.
De gelaagdheid van een muur en van de leisteen
zelf, is naast een zwaktepunt 
ook een sterktepunt vanwege de elastische mogelijkheden die dit oplevert; zo kan men
bulten en holtes in een muur zien van zorgwekkende afmeting, zonder dat de muur als geheel
echt gevaar loopt in te storten.
Waar toegang is voor een grote domme kracht is het geheel ook weer recht te
trekken.
De meeste beschadigingen van muren treden op bij
het instorten van het dak door te veel sneeuw of het rotten van de dwarsbalken (les
tirants) die de zijwaardse kracht van het dak op de muren opvangent. Deze balken zijn
essentieel voor het verband. Op de bovenkant van de muur liggen hiervoor zware balken de
sablières die de verbinding tussen muts en muur vormen.
Ondanks allerlei erosie-invloeden staan de
meeste boerderijen en terrasmuren geduldig en intact te getuigen van een interessant en
fraai historisch erfgoed; een geheel van een geconfectioneerd landschap:
Photo: Alain Lagrave
Eeuwen lang is er slechts koud gestapeld
zonder mortel. Later werd er kalkmortel gebruikt slechts voor het woonhuis. Daarna werden
voor de water- en winddichtheid maar vooral ook voor het aanzien (met het baar geld uit de
zijdehandel) het gehele huis gestuukt en geverfd met namaakhoekstenen. Deze stuuk is
er bij de meeste huizen weer afgevallen en daar waar niet vervangen nog goed zichtbaar.
De raam- en deur- bovenpost worden behalve van
hout of leisteen ook vaak van stevigere steensoorten gehouwen, evenals in sommige gevallen
de hoekstenen . Dit is afhankelijk van streek, tijdperk en rijkdom van de eigenaar.
Gebruikte steensoorten hiervoor kunnen zijn: zandsteen, kalksteen, kersantiet.
Om de zwakkere versies van bovenposten (hout of leisteen) te ontlasten van
het gewicht van de bovengestapelde muur wordt een ontlastingsdriehoek (arc de décharge)
gebouwd. Deze verdeelt de kracht naar opzij .
Elke "mas" is weer anders, inventief en steeds technisch beter in vergelijking
tot voorgaande perioden. Opmerkelijk is de aandacht voor funktie, detail en harmonie, de
relatief arme cévenol heeft het esthetische aspect van huis en erf bewaakt. 
Leisteen
Leisteen
is grijs tot bruin, met een extreem glimmend aspect met blauwe, goud- of
zilverkleurige glans. De structuur is gelaagd en hier en daar gevouwen.(geologie)
Hoofdzakelijk bestaande uit mica-lagen waarvan de kleur variëert
afhankelijk van de chemische samenstelling van silicium- en aluminiumoxides in combinatie
met andere elementen.
De mica kan wit zijn in de vorm van min of meer grote kristallen: muscoviet of
sériciet.
Ook zwart komt voor in de vorm van schilvertjes: biotiet, of roestkleurig in
combinatie met ijzeroxides.
De witte lagen tussen de leisteenlagen zijn
kwarts-ophopingen, vroegere gekristalleerde zandlagen.
In de
contactzones met andere steensoorten ziet men leisteen vermengd met andere steensoorten
zoals hier rivierstenen en kalksteen.

Het dakspant en dak
De hoogte van de kastanjeboom en de daaruit te
halen balk bepaalt en beperkt de breedte van een leisteen gebouw.
Het dakspant is qua structuur en hellingshoek zo
gemaakt dat het grootste deel van de kracht van het loodzware dak op de muren wordt
overgedragen.
De grote vijand van het dakspant is een lek
in het dak, als de trekbalken die de muren bij elkaar houden rotten stort het dak en
vaak een groot gedeelte van de muren in. Anders is het een spant gemaakt voor eeuwen. Het
gebruikte kastanjehout is wonderbaarlijk duurzaam.
De oorspronkelijke daken zijn gemaakt van leisteen, waarvan men slechts eenderde ziet, om
consequent elke naad boven een hele steen te laten vallen. In het parc nationale des
Cévennes zijn leien, ardoises of "bardeaux" (houten leien) verplicht vanwege
het beschermde aanzicht van huizen.
Een leien dak is een kunstwerk op zich.

Architectuur & water
Water was, net als nu, van vitaal belang.
De cévenollen hebben een ingenieus systeem van leisteen en kastanjehout
vervaardigd waaraan elke eeuw verbeteringen en vernieuwingen zijn aangebracht tot de
uitvinding van plastic.
Een groot deel van de constructies zijn om water te benutten, maar ook om zich tegen water
te beschermen zijn er talrijke werken gerealiseerd.
De derde factor van architectuur & water zijn de diverse bruggen en passages gemaakt
om rivieren, beekjes en ravijnen over te steken.
Te beginnen bij de bron, oorsprong van het
water: uitgehakte kanaaltjes of grotjes op plaatsen waar het capilair sijpelen het
geconcentreerdst is, vaak met gewelfjes ter protectie.
Vanaf daar uitgehakte kanalen tot soms enkele kilometers en/of uitgeholde boomstammen om
het water naar keuken (kleinverbruik), stal of erven te leiden.
Een tweede herkomst van water is uit de beek of rivier zelf, waar met stuwdammen
(verticaal geplaatste stenen) en dijkjes het water via kanalen en verval van ver komt.
Irrigatie maar ook vooral hydraulisch aangedreven werken zoals smitsen, molens en
zijdespinnerijen functioneerden op deze wijze; vaak in combinatie met een waterreservoir.
De reservoirs zijn een uitzondering op de overwegend koudgestapelde constructies
omdat er mortel,ter afdichting is gebruikt, behalve bij de kompleet uit rots gehakte
reservoirs.
Waterrechten zijn zeer nauwkeurig beschreven op uur en dag en een historische bron
van wrede anecdotes.
Irrigatie van de terrassen via beals, de zogenoemde waterkanalen, geschiedt door
het openen of dichten van grote leistenen loodrecht op de stroom.
De gedeeltelijk in de rots uitgehakte woningen en stallen hebben een open
waterkanaaltje aan de rotszijde om het sijpelende water na enkele uren of dagen regen naar
buiten af te voeren.
Ook rond de huizen zijn er watergeulen uit dakpanswijze gestapelde stenen gemaakt
of uitgehakt om de indrukwekkende watervallen bij regen om te leiden.
Restauratie
van een cevenolse traditionele boerderij : gebouw en landschap